VroegelingHoewel ik de laatste weken overal uitgekeken heb, was er in mijn onmiddelijke omgeving geen plantje Vroegeling te bespeuren. Annet Planten was zo vriendelijk mij het gebruik van haar foto toe te staan…

De vroegeling (Erophila verna) is – hoe kan het ook anders met die naam – een hele vroege bloeier, een typische winterannuel.
Winterannuelen zijn éénjarig planten die als zaad ‘overzomeren’, in de loop van de herfst ontkiemen, tijdens of kort na de winter bloeien, en alweer in rusttoestand zijn als de lente goed en wel op haar hoogtepunt is.
En als je weet dat vroegeling typisch een plantje is dat bijvoorbeeld op schrale zandvlakten groeit, is zo’n levenscyclus niet verwonderlijk. In de zomer kan het op die plekken dermate heet en droog zijn, dat elk plantje er zou verdorren.

In Engeland werd de bloei van de vroegeling vroeger aanzien als een teken dat het tijd werd om de zomerrogge te gaan zaaien. In Duitsland daarentegen vreesde men dat als de vroegeling overvloedig bloeide, dat een slechte oogst in de komende zomer voorspelde. In onze streken lijkt men het plantje altijd wat over het hoofd te hebben gezien, want er lijken nauwelijks folkloristische weetjes over voorhanden.

Vroegeling vormt vaak zaad na zelfbestuiving. Verwar dit niet met het verschijnsel dat ik een paar weken geleden beschreef bij de paardenbloem, waar zaad ontstaat uit onbevruchte eicellen. De ‘eicellen’ van de vroegeling worden wel degelijk bevrucht, maar vaak dus door stuifmeel uit hetzelfde bloempje. Deze verregaande vorm van inteelt kan er vervolgens wel toe leiden dat een populatie vroegeling op de ene plek, op details volledig verschilt van die op een andere plek.

Vroegeling is een heel klein plantje, nauwelijks een paar centimeter hoog, maar in deze tijd van het jaar zie je ze op sommige plaatsen toch massaal voorkomen, hele tapijten vormen. Maar voor zover ik weet, vindt vroegeling op geen enkel vlak enige toepassing. In een artikeltje in een recent nummer van het tijdschrift van NatuurPunt werd even gewag gemaakt van ‘een Engels boek’ dat zou beweren dat de blaadjes wel gegeten worden, maar de auteur reageerde ironisch met een: ‘maar dan moet je wel hele erg honger hebben…’
Bovendien zijn de plantjes ook nog eens enigszins harig, wat het eventuele culinaire genot zeker niet zal vergroten…

Waarom ik dit plantje hier dan bespreek? Ach, het groeit er nu eenmaal… en ik vind het zuivere wit van de bloemetjes in al hun onooglijkheid toch altijd iets hebben.

’n Kruidige groet,
Ann