Volgens de flora van Heukels bestaan er in Nederland zeker 225 ‘agamosperme’ microsoorten van de gewone paardenbloem (Taraxacum officinale).
Agamospermie betekent dat er zaden ontstaan uit onbevruchte eicellen. Die zaden geven vervolgens aanleiding tot asexuele afstammingslijnen, klonen als het ware…
Sommige van die klonen kunnen naar vorm van andere onderscheiden worden, en worden daarom ‘microsoorten’ genoemd. Die verschillende microsoorten verschillen vaak maar op details van elkaar. Extra moeilijk wordt het, als je weet dat planten van eenzelfde microsoort sterk van uiterlijk kunnen verschillen naargelang van hun standplaats.
Ik herinner me nog dat mijn leraar biologie de paardenbloem gebruikte als voorbeeld van het verschil tussen genotype en fenotype:
Je hebt bijvoorbeeld twee paardenbloemplanten van dezelfde microsoort. Die hebben exact hetzelfde genetische materiaal (=genotype) dat bepaald hoe de plant er zal uitzien.
Maar plant nr 1 groeit in barst in een veel belopen voetpad. De plant zal vrij klein blijven, met een erg korte bloemsteel, ook de bladrozet zal klein blijven en plat tegen de grond aangedrukt zitten.
Plant nr 2 staat een paar meter verderop in een ‘grazige’ weide. De bodem is er een stuk vruchtbaarder dan die waar plant 1 het mee moet doen, en de plant is in haar geheel dan ook een veelvoud van de andere groot. De bloemstengel is lang, om het bloemhoofdje boven de grassen uit te tillen, en ook de bladeren zijn groot, liggen niet plat op de grond, maar staat bijna rechtop.
Bovendien zal je vaak merken dat de bladeren van een paardenbloem in ‘arme’ omstandigheden zeer sterk getand zijn, en die van planten op rijke bodem bijna spatelvormig zijn, bijna zonder de zo kenmerkende ‘leeuwentand’-insnijdingen van de rand. Het uiteindelijke fenotype (hoe de plant er ‘in het echt’ uitziet) wordt dus niet alleen bepaald door het genetische materiaal (genotype) maar ook door de externe omstandigheden.

Maar over de paardenbloem valt natuurlijk veel meer te vertellen.
Net zoals het barbarakruid en de kleine veldkers is het een kruid dat in deze tijd van het jaar een mooie aanvulling vormt op de nog verkrijgbare wintergroenten. Terwijl die twee kruisbloemigen veel vitamine C bevatten, geeft paardenbloem je wat extra mineralen. Het kruid bevat zowel calcium, natrium, silicium, zwavel, en vooral kalium. Het blad is bovendien vrij uitgesproken diuretisch (vochtafdrijvend) (heel wat volksnamen in alle talen getuigen daar trouwens van, zie verder). Nu is een bekende bijwerking van veel plaspillen dat ze tesamen met water ook heel wat kalium uit het lichaam verdrijven, maar omdat de paardenbloem zo’n hoog kaliumgehalte heeft, blijft de kaliumspiegel normaal mooi in balans.
Binnenkort ga ik dus weer ‘groenkoeken’ bakken, boekweitpannenkoeken met heel veel voorjaarskruiden…. Net zoals die van mijn grootvader vroeger, zien ook mijn groenkoeken letterlijk groen van het erin verwerkte kruid… je kan daarmee nauwelijks overdrijven, integendeel: ik vind ze het lekkerst als de bitterheid van de kruiden duidelijk aanwezig is. Ik oogst in mijn tuin paardenbloemblad, barbarakruid, kleine veldkers, duizendblad, nog meer paardenbloemblad, en een flinke hoeveelheid bieslook. Dat alles hak ik heel fijn, en meng ik door het beslag (ruim 150 g boekweitmeel, een kleine 100 g voltarwemeel, twee eieren, een flesje bier, aanvullen met melk tot je een vloeibaar beslag hebt….), en dan bakken maar (mijn grootvader bakte er vaak spekpannenkoeken mee, ik hou het bij ‘gewone’ pannenkoeken).

Paardenbloemwortels hebben andere indicaties dan het blad, maar daarover vertel ik op een ander ogenblik wel weer… (De wortel wordt pas geoogst in de zomer, als ze hun hoogste gehalte aan bitterstoffen bevatten…)

Heel wat volksnamen, zowel in het Nederlands als in andere talen, verwijzen naar de vochtafdrijvende eigenschappen van het kruid. Als kind kenden we de paardenbloem nauwelijks anders dan onder de naam Pisbloem, in andere streken wordt/werd gesproken over Beddepisser, Beddezeeker, Bedpieser, Paddepister, Pis-in-‘t-bed, Pissebed, Seekebed, Zeekers….
Andere namen verwijzen naar de getande bladeren, die men vergeleek met het stekelige van distels. Zo krijg je dan namen als Dissel of Distel, Zuurdistel, Zevendistel, Melkdistel…
Het witte melksap gaf nog aanleiding tot andere benamingen: Melkbloem, Melkbladen, Melkwietsel, Melkriet….
Toen ik als kind een paar konijnen had ging ik in de velden in de omgeving vaak groenvoer snijden, en ik wist al snel dat sappige paardenbloembladeren een delicatesse bleken voor mijn huisdieren. Hiervan getuigen ook volksnamen als Knineblèden en Konijnengroen. De officiële naam paardenbloem laat zien dat ook paarden het kruid als een lekker hapje beschouwden. Andere namen met die oorsprong zijn Paardsbloem, Hijnstebloem (hengstenbloem), Paardensla….
Namen als Kaarsjes, Pluimpje, Uitblazertjes, Brievenbesteller, Pluimbol verwijzen allemaal naar het uitgebloeide bloempluis dat door kinderen zo graag wordt weggeblazen. (De ‘Pisbloem’ uit mijn jeugd ging dan ook ‘Blaasbloem’ heten zo gauw ze was uitgebloeid.)
Tot wanhoop van onze moeders (het melksap van de paardenbloem maakt lelijke vlekken!) maakten mijn vriendinnen en ik graag bloemslingers van de paardenbloem. We waren niet de enigen, getuige daarvan namen als Kettingbloem, Kettekroet, Kettingstronk, Kettingspol.
Namen als Papencrut, Papenblad, Papenstoelen, Monnikskop… zouden verwijzen naar de kale bloembodem die, als alle zaden afgevallen zijn, gelijkenis zou vertonen met de tonsuur van een geestelijke. Ook de namen Platters en Platgatters wijzen in dezelfde richting, want in de middeleeuwen heette die tonsuur ‘platte’.
De namen die verwijzen naar ‘hond’, zoals Hoensbloem, hondeblöme, Hondeblômesloat… zou betekenen dat de plant als minderwaardig werd beschouwd.
‘Molsla’ tenslotte verwijst naar de witgebleven paardebloemenbladeren die van onder molshopen werd opgegraven en als witlof werd gegeten.

(Ik heb bovenstaande volksnamen grotendeels teruggevonden in ‘Planten en hun naam’ van H. Kleijn. Wie geïnteresseerd is in de preciese geografische herkomst van de volksnamen, verwijs ik graag naar dat boek. Ik wil er ook nog aan toevoegen dat ik van de meeste namen niet alle varianten heb overgenomen, zeker niet, wanneer de verschillen erg klein waren….)

’n Kruidige groet,
Ann