Barbarakruid is een plantje dat in deze tijd van het jaar meestal makkelijk te vinden is. Het is een – vooral op vochtige bodem – vrij algemeen voorkomend kruidje, maar omdat ik in de toch wat drogere Kempen woon, blijft zijn aanwezigheid in mijn tuin steeds tot een tiental plantjes beperkt. We kregen ons eerste plantje jaren geleden op onze trouwdag, van een vriend die in zijn Lusthof dit en talloze andere ongewone groenten teelt.

Samen met een aantal andere kruisbloemigen (bv Cardamine hirsuta, de Kleine veldkers) gebruik ik het plantje in deze tijd van het jaar graag als een toevoeging aan een slaatje. Je hebt geen grote hoeveelheden nodig, een flinke eetlepel van het fijngehakte kruid door een kom sla geeft al net een klein beetje extra smaak, en Vit. C! (En dat laatste kunnen we aan het einde van de winter wel gebruiken).
Je kan de kruidjes ook fijngehakt mengen door wat verse kaas, samen met de eerste bieslook die ook alweer boven de grond staat. Als je het kruid in je tuin kweekt, en je een voldoende grote hoeveelheid hebt, kan je het blad ook stoven zoals spinazie.

Wanneer je Barbarakruid in het wild verzamelt, let er dan wel op dat je het ver van alle mogelijke bronnen van vervuiling oogst, want het schijnt dat het plantje nogal neigt tot opslaan van allerlei contaminanten zoals pesticiden…

Om het plantje in de tuin te kweken (zaad verkrijgbaar bij De Bolster, zoek op ‘winterkers’), is het belangrijk te weten dat de plant een vochthoudende bodem vraagt, die zeker niet overbemest is, en een plekje in de zon of de halfschaduw. Op te droge grond gaat de smaak (te) scherp worden. Wanneer de plant in bloei komt, wordt de smaak van het blad eerder onaangenaam. Je kan het jonge blad oogsten, maar zorg dat je de groeipunt van de wortelrozet niet wegsnijdt, want dan sterft de plant af.

Behalve een hoog gehalte aan Vit. C. bevat het kruid ook nog: karotenoiden, calcium, behoorlijk wat ijzer, magnesium, mangaan, mosterdolie (vandaar de scherpe smaak), Vitamine B1 en B2.
In het verleden paste men het verse kruid ook wel toe als een pleister op kleine verwondingen, en de gekneusde verse zaden werden als diuretisch middel aan wijn toegevoegd.

Nog wat ‘naamgeving’: Zowel in de Nederlandse naam van het kruid, als in Duitse (Barbarakraut, Barbenkraut) en Franse (herbe de Sainte-Barbe) en in de Wetenschappelijke vinden we ‘Barbara’ terug, en dit verwijst allicht naar de Heilige Barbara, een martelares uit de 4de Eeuw. Wat de preciese reden voor deze naamgeving is, daar kunnen we maar naar gissen. Er wordt gesuggereerd dat het een kruid is dat als sla-groente ook in de koude maanden kon worden gegeten (4 december is de feestdag van ‘Sint-Barb’, patroonheilige van mijnwerkers en brandweerlui). Een andere uitleg zegt, dat het kruid naar de H. Barbara genoemd werd, omdat het door zijn hoge gehalte aan Vit. C. heel wat zeelui voor scheurbuik behoede. Waarom dan precies naar de H. Barbara werd verwezen is mij dan echter helemaal onduidelijk: welliswaar is zij één van de veertien ‘redders in nood’ (ik ben helaas niet dermate ‘streng in de leer’ opgevoed dat ik weet of dit inderdaad de correcte uitdrukking is?), maar ik zou verwachten dat het kruid dan toch eerder zou genoemd zijn naar een heilige die de patroon van zeelui is…

Het kruid heeft, naast ‘Barbarakruid’ nog een aantal Nederlandse namen zoals steenkers, winterkers en moerasraket.
In het Duits heet het Echtes Barbarakraut, Gemeiner Wasserkresse, Frühlingsbarbarakraut. In Frankrijk noemt met het herbe de Sainte Barbe, barbarée, girarde jaune…
Engelse benamingen zijn yellowrocket, garden yellowrocket, wintercress, dry land cress (itt watercress), Creecy greens….